losbinden
werkwoordBetekenis
- iets uit bindingen losmaken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van losbinden
losbindenhele werkwoord — bond losverleden tijd enkelvoud — bonden losverleden tijd meervoud — losgebondenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | bind los | bond los |
| jij | bindt los | bond los |
| hij, zij, het | bindt los | bond los |
| wij | binden los | bonden los |
| jullie | binden los | bonden los |
| zij | binden los | bonden los |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bind los | gebiedende wijs |
| bond los | verleden tijd |
| er is losgebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was losgebonden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd losgebonden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt losgebonden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal losgebonden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal losgebonden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou losgebonden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou losgebonden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had losgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had losgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had losgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden losgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden losgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden losgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt losgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben losgebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| los te binden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| los te zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| los zal binden | bijzin, toekomende tijd |
| los zou binden | bijzin, voorwaardelijk |
| los zouden binden | bijzin, voorwaardelijk |
| los zoudt binden | bijzin, voorwaardelijk |
| los zullen binden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| los zullen binden | bijzin, toekomende tijd |
| los zult binden | bijzin, toekomende tijd |
| losbind | bijzin, tegenwoordige tijd |
| losbindend | onvoltooid, deelwoord |
| losbindt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| losbond | bijzin, verleden tijd |
| losbonden | bijzin, verleden tijd |
| losgebonden | verleden tijd, deelwoord |
| losgebonden te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| losgebonden te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| losgebonden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgebonden te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgebonden te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgebonden worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| losgebonden zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| losgebonden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| losgebonden zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| losgebonden zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| te hebben losgebonden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen losbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart losgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren losgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was losgebonden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was losgebonden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was losgebonden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt losgebonden | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal losbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zal losgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal losgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal losgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt losgebonden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou losbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou losgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) losbinden los zou(dt) binden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden losbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden losgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden losgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden losgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden losgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden losgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden losgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt losbinden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt losgebonden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt losgebonden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen losbinden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen losbinden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen losgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen losgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen losgebonden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen losgebonden worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen losgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen losgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen losgebonden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult losbinden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van los en binden
Woordfamilie van losbinden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bind los | gebiedende wijs | losbinden |
| binde los | woordvorm | losbinden |
| binden los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | losbinden |
| bindt los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | losbinden |
| bond los | verleden tijd | losbinden |
| bonden los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | losbinden |
| losbind | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | losbinden |
| losbinde | with-subordinate-clause | losbinden |
| losbindend | onvoltooid deelwoord | losbinden |
| losbindende | woordvorm | losbinden |
| losbindt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | losbinden |
| losbond | subordinate-clause, verleden tijd | losbinden |
| losbonden | subordinate-clause, verleden tijd | losbinden |
| losgebonden | voltooid deelwoord | losbinden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van losbinden zijn vastgelegd.