Naar de inhoud

losbinden

iets uit bindingen losmaken

losbinden

werkwoord

Betekenis

  1. iets uit bindingen losmaken
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van losbinden

losbindenhele werkwoord — bond losverleden tijd enkelvoud — bonden losverleden tijd meervoud — losgebondenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bind los bond los
jij bindt los bond los
hij, zij, het bindt los bond los
wij binden los bonden los
jullie binden los bonden los
zij binden los bonden los
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bind los gebiedende wijs
bond los verleden tijd
er is losgebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was losgebonden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd losgebonden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt losgebonden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal losgebonden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal losgebonden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou losgebonden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou losgebonden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had losgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had losgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had losgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden losgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden losgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden losgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt losgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
los te binden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
los te zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
los zal binden bijzin, toekomende tijd
los zou binden bijzin, voorwaardelijk
los zouden binden bijzin, voorwaardelijk
los zoudt binden bijzin, voorwaardelijk
los zullen binden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
los zullen binden bijzin, toekomende tijd
los zult binden bijzin, toekomende tijd
losbind bijzin, tegenwoordige tijd
losbindend onvoltooid, deelwoord
losbindt bijzin, tegenwoordige tijd
losbond bijzin, verleden tijd
losbonden bijzin, verleden tijd
losgebonden verleden tijd, deelwoord
losgebonden te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgebonden te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgebonden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgebonden te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgebonden te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgebonden worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgebonden zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgebonden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgebonden zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgebonden zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
te hebben losgebonden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen losbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart losgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren losgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was losgebonden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was losgebonden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was losgebonden voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd losgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd losgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd losgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden losgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden losgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden losgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt losgebonden enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word losgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden losgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden losgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden losgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt losgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt losgebonden enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal losbinden bijzin, toekomende tijd
zal losgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal losgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal losgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt losgebonden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou losbinden bijzin, voorwaardelijk
zou losgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) losbinden los zou(dt) binden bijzin, voorwaardelijk
zouden losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden losbinden bijzin, voorwaardelijk
zouden losgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt losbinden bijzin, voorwaardelijk
zoudt losgebonden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgebonden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen losbinden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen losbinden bijzin, toekomende tijd
zullen losgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgebonden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losgebonden worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgebonden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult losbinden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van los en binden

Woordfamilie van losbinden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
bind los gebiedende wijs losbinden
binde los woordvorm losbinden
binden los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon losbinden
bindt los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon losbinden
bond los verleden tijd losbinden
bonden los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon losbinden
losbind subordinate-clause, tegenwoordige tijd losbinden
losbinde with-subordinate-clause losbinden
losbindend onvoltooid deelwoord losbinden
losbindende woordvorm losbinden
losbindt subordinate-clause, tegenwoordige tijd losbinden
losbond subordinate-clause, verleden tijd losbinden
losbonden subordinate-clause, verleden tijd losbinden
losgebonden voltooid deelwoord losbinden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van losbinden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over losbinden

Wat is de betekenis van losbinden?
Losbinden is een werkwoord. De betekenis is: iets uit bindingen losmaken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik losbinden?
Zo vervoeg je losbinden zo: het voltooid deelwoord is losgebonden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord losbinden is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. B 3
  5. I 1
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

losbinden levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. B 4
  5. I 2
  6. N 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

losbinden in het kort

losbinden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van losbinden staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort losbinden bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

losbinden: iets uit bindingen losmaken
Deel losbinden — standaardnederlands.nl