tijger
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈtɛiɣərBetekenis
- een krachtig roofdier met een geelachtige huid en donkere strepen
Hoe spreek je tijger uit?
/ˈtɛixər/
Tijger bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛi | trein |
| x | acht |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort zoogdier, Panthera tigris, een grote katachtige met een geelachtige huid en donkere strepen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tijgers | meervoud |
| tijgertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tijgertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tijgeren
- gebiedende wijs van tijgeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tijgeren
Vervoeging van tijger
tijgerhele werkwoord
Herkomst
via Middelnederlands tiger, Oudfrans tigre en Latijn tigris van Oudgrieks τίγρις (tígris), in de betekenis van ‘katachtige’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van tijger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tijgers | meervoud | tijger |
| tijgertje | verkleinwoord | tijger |
| tijgertjes | verkleinwoord meervoud | tijger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tijger zijn vastgelegd.