Naar de inhoud

loskomen

ergens niet meer aan/in vastzitten

loskomen

werkwoord

Betekenis

  1. ergens niet meer aan/in vastzitten
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Vervoeging van loskomen

loskomenhele werkwoord — kwam losverleden tijd enkelvoud — kwamen losverleden tijd meervoud — losgekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom los kwam los
jij komt los kwaamt los
hij, zij, het komt los kwam los
wij komen los kwamen los
jullie komen los kwamen los
zij komen los kwamen los
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben losgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent losgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is losgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is losgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom los gebiedende wijs
kwam los verleden tijd
los te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
los te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
los zal komen bijzin, toekomende tijd
los zou komen bijzin, voorwaardelijk
los zouden komen bijzin, voorwaardelijk
los zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
los zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
los zullen komen bijzin, toekomende tijd
los zult komen bijzin, toekomende tijd
losgekomen verleden tijd, deelwoord
losgekomen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgekomen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
loskom bijzin, tegenwoordige tijd
loskomend onvoltooid, deelwoord
loskomt bijzin, tegenwoordige tijd
loskwaamt bijzin, verleden tijd
loskwam bijzin, verleden tijd
loskwamen bijzin, verleden tijd
te zijn losgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen loskomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart losgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren losgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was losgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was losgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was losgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal losgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal losgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal loskomen bijzin, toekomende tijd
zijn losgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn losgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn losgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn losgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt losgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou losgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou loskomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) loskomen los zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden losgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden loskomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt losgekomen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt loskomen bijzin, voorwaardelijk
zullen losgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen loskomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen loskomen bijzin, toekomende tijd
zult losgekomen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult loskomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult loskomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal loskomen los zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van los en komen

Woordfamilie van loskomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kom los gebiedende wijs loskomen
kome los woordvorm loskomen
komen los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon loskomen
komt los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon loskomen
kwam los verleden tijd loskomen
kwamen los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon loskomen
losgekomen voltooid deelwoord loskomen
loskom subordinate-clause, tegenwoordige tijd loskomen
loskome with-subordinate-clause loskomen
loskomend onvoltooid deelwoord loskomen
loskomende woordvorm loskomen
loskomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd loskomen
loskwam subordinate-clause, verleden tijd loskomen
loskwamen subordinate-clause, verleden tijd loskomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loskomen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over loskomen

Wat betekent loskomen?
Loskomen is een werkwoord. Het woord betekent: ergens niet meer aan/in vastzitten. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je loskomen?
Je vervoegt loskomen als volgt: het voltooid deelwoord is losgekomen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord loskomen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. K 3
  5. O 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

loskomen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. K 3
  5. O 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (L) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

loskomen in het kort

loskomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van loskomen zijn 48 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort loskomen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

loskomen: ergens niet meer aan/in vastzitten
Deel loskomen — standaardnederlands.nl