loskomen
werkwoordBetekenis
- ergens niet meer aan/in vastzitten
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van loskomen
loskomenhele werkwoord — kwam losverleden tijd enkelvoud — kwamen losverleden tijd meervoud — losgekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom los | kwam los |
| jij | komt los | kwaamt los |
| hij, zij, het | komt los | kwam los |
| wij | komen los | kwamen los |
| jullie | komen los | kwamen los |
| zij | komen los | kwamen los |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben losgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent losgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is losgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is losgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom los | gebiedende wijs |
| kwam los | verleden tijd |
| los te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| los te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| los zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| los zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| los zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| los zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| los zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| los zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| los zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| losgekomen | verleden tijd, deelwoord |
| losgekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| loskom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| loskomend | onvoltooid, deelwoord |
| loskomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| loskwaamt | bijzin, verleden tijd |
| loskwam | bijzin, verleden tijd |
| loskwamen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn losgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen loskomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart losgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren losgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was losgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was losgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was losgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal losgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal losgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal loskomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn losgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn losgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn losgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn losgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt losgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou losgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou loskomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) loskomen los zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden losgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden losgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden losgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden loskomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt losgekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt loskomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen losgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen losgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen losgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen loskomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen loskomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult losgekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult loskomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult loskomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal loskomen los zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van los en komen
Woordfamilie van loskomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom los | gebiedende wijs | loskomen |
| kome los | woordvorm | loskomen |
| komen los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | loskomen |
| komt los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | loskomen |
| kwam los | verleden tijd | loskomen |
| kwamen los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | loskomen |
| losgekomen | voltooid deelwoord | loskomen |
| loskom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | loskomen |
| loskome | with-subordinate-clause | loskomen |
| loskomend | onvoltooid deelwoord | loskomen |
| loskomende | woordvorm | loskomen |
| loskomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | loskomen |
| loskwam | subordinate-clause, verleden tijd | loskomen |
| loskwamen | subordinate-clause, verleden tijd | loskomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loskomen zijn vastgelegd.