rinoceros
zelfstandig naamwoord riˈnosəˌrɔsBetekenis
- neushoorn
Hoe spreek je rinoceros uit?
/riˈnosəˌrɔs/
Rinoceros bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| i | riet |
| n | nek |
| o | boot |
| s | sok |
| ə | de |
| ɔ | bot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- benaming voor grote zware zoogdieren uit de familie Rhinocerotidae die voorkomen in Afrika en Azië leeft en worden gekenmerkt door een hoorn aan de voorkant van hun kop
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rinocerosje | verkleinwoord, enkelvoud |
| rinocerosjes | verkleinwoord, meervoud |
| rinocerossen | meervoud |
Herkomst
via Latijn rhinoceros van Oudgrieks ῥῑνόκερως (rinokeroos) letterlijk: "neus-hoorn", in de betekenis van ‘hoefdier’ aangetroffen vanaf 1654
Woordfamilie van rinoceros
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rinocerosje | verkleinwoord | rinoceros |
| rinocerosjes | verkleinwoord meervoud | rinoceros |
| rinocerossen | meervoud | rinoceros |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rinoceros zijn vastgelegd.