Naar de inhoud

loskrijgen

erin slagen een verbinding te verbreken

loskrijgen

werkwoord ˈlɔskrɛiɣə(n)

Betekenis

  1. erin slagen een verbinding te verbreken

Hoe spreek je loskrijgen uit?

/ˈlɔskrɛixən/

Loskrijgen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈlɔskrɛixən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
l land
ɔ bot
s sok
k kat
r rood
ɛi trein
x acht
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van loskrijgen

loskrijgenhele werkwoord — kreeg losverleden tijd enkelvoud — kregen losverleden tijd meervoud — losgekregenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik krijg los kreeg los
jij krijgt los kreeg los
hij, zij, het krijgt los kreeg los
wij krijgen los kregen los
jullie krijgen los kregen los
zij krijgen los kregen los
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is losgekregen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was losgekregen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd losgekregen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt losgekregen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal losgekregen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal losgekregen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou losgekregen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou losgekregen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had losgekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had losgekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had losgekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden losgekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden losgekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden losgekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt losgekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgekregen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kreeg los verleden tijd
krijg los gebiedende wijs
los te krijgen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
los te zullen krijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
los zal krijgen bijzin, toekomende tijd
los zou krijgen bijzin, voorwaardelijk
los zouden krijgen bijzin, voorwaardelijk
los zoudt krijgen bijzin, voorwaardelijk
los zullen krijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
los zullen krijgen bijzin, toekomende tijd
los zult krijgen bijzin, toekomende tijd
losgekregen verleden tijd, deelwoord
losgekregen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgekregen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
losgekregen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgekregen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgekregen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
losgekregen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgekregen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
losgekregen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgekregen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
losgekregen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
loskreeg bijzin, verleden tijd
loskregen bijzin, verleden tijd
loskrijg bijzin, tegenwoordige tijd
loskrijgend onvoltooid, deelwoord
loskrijgt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben losgekregen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen loskrijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart losgekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren losgekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren losgekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was losgekregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was losgekregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was losgekregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd losgekregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd losgekregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd losgekregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden losgekregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden losgekregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden losgekregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt losgekregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word losgekregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden losgekregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden losgekregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden losgekregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt losgekregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt losgekregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal losgekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgekregen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal losgekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal losgekregen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal losgekregen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal loskrijgen bijzin, toekomende tijd
zijn losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt losgekregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou losgekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgekregen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou losgekregen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou losgekregen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou loskrijgen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) loskrijgen los zou(dt) krijgen bijzin, voorwaardelijk
zouden losgekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden losgekregen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden losgekregen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden losgekregen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden loskrijgen bijzin, voorwaardelijk
zoudt losgekregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt losgekregen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt loskrijgen bijzin, voorwaardelijk
zullen losgekregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgekregen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgekregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen losgekregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen losgekregen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen losgekregen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen losgekregen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen loskrijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen loskrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen loskrijgen bijzin, toekomende tijd
zult losgekregen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van los en krijgen

Woordfamilie van loskrijgen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kreeg los verleden tijd loskrijgen
kregen los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon loskrijgen
krijg los gebiedende wijs loskrijgen
krijge los woordvorm loskrijgen
krijgen los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon loskrijgen
krijgt los aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon loskrijgen
losgekregen voltooid deelwoord loskrijgen
loskreeg subordinate-clause, verleden tijd loskrijgen
loskregen subordinate-clause, verleden tijd loskrijgen
loskrijg subordinate-clause, tegenwoordige tijd loskrijgen
loskrijge with-subordinate-clause loskrijgen
loskrijgend onvoltooid deelwoord loskrijgen
loskrijgende woordvorm loskrijgen
loskrijgt subordinate-clause, tegenwoordige tijd loskrijgen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van loskrijgen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over loskrijgen

Hoe spreek je loskrijgen uit?
De uitspraak van loskrijgen is: /ˈlɔskrɛiɣə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent loskrijgen?
Loskrijgen is een werkwoord. Het woord betekent: erin slagen een verbinding te verbreken.
Hoe vervoeg je loskrijgen?
Je vervoegt loskrijgen als volgt: het voltooid deelwoord is losgekregen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord loskrijgen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. K 3
  5. R 2
  6. I 1
  7. J 4
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

loskrijgen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. L 3
  2. O 1
  3. S 2
  4. K 3
  5. R 2
  6. I 2
  7. J 4
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

loskrijgen in het kort

loskrijgen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van loskrijgen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort loskrijgen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

loskrijgen: erin slagen een verbinding te verbreken
Deel loskrijgen — standaardnederlands.nl