jaguar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- Panthera onca, Midden- en Zuid-Amerikaans katachtig roofdier
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort zoogdier, Panthera onca, uit de familie van de katachtigen dat voorkomt in Midden-Amerika en een groot deel van Zuid-Amerika Hij lijkt oppervlakkig sterk op de luipaard, maar is zwaarder gebouwd en heeft een forsere rozettentekening.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| jaguars | meervoud |
| jaguartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| jaguartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘katachtige’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1770
Woordfamilie van jaguar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| jaguars | meervoud | jaguar |
| jaguartje | verkleinwoord | jaguar |
| jaguartjes | verkleinwoord meervoud | jaguar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van jaguar zijn vastgelegd.