knal
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord knɑlBetekenis
- een kort, hard en luid geluid als van een ontploffing
- gebruikt als eerste deel van een samenstelling om de eigenschap van het tweede deel van de samenstelling te benadrukken of de kwaliteit ervan te versterken
Hoe spreek je knal uit?
/knɑl/
Knal bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| ɑ | bad |
| l | land |
zelfstandig naamwoord — masculine
- kort, hard en luid geluid als van een ontploffing
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knallen | meervoud |
| knalletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| knalletjes | verkleinwoord, meervoud |
bijvoeglijk naamwoord
- buitengewoon, geweldig obsolete
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knallen
- gebiedende wijs van knallen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knallen
Vervoeging van knal
knalhele werkwoord
Herkomst
waarschijnlijk van Duits Knall **[2] In de betekenis van “geweldig, cool”, aangetroffen sinds 1919.
Woordfamilie van knal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knalletje | verkleinwoord | knal |
| knalletjes | verkleinwoord meervoud | knal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knal zijn vastgelegd.