samenhokken
werkwoord ˈsamə(n)ˌhɔkə(n)Betekenis
- dicht op elkaar wonen
- ongetrouwd samenwonen
Hoe spreek je samenhokken uit?
/ˈsamənˌhɔkən/
Samenhokken bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| a | maan |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Vervoeging van samenhokken
samenhokkenhele werkwoord — hokte samenverleden tijd enkelvoud — hokten samenverleden tijd meervoud — samengehoktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hok samen | hokte samen |
| jij | hokt samen | hokte samen |
| hij, zij, het | hokt samen | hokte samen |
| wij | hokken samen | hokten samen |
| jullie | hokken samen | hokten samen |
| zij | hokken samen | hokten samen |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had samengehokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had samengehokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had samengehokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden samengehokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden samengehokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden samengehokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt samengehokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb samengehokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengehokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben samengehokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben samengehokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben samengehokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt samengehokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengehokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft samengehokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hok samen | gebiedende wijs |
| hokte samen | verleden tijd |
| samen te hokken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| samen te zullen hokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samen zal hokken | bijzin, toekomende tijd |
| samen zou hokken | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zouden hokken | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zoudt hokken | bijzin, voorwaardelijk |
| samen zullen hokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samen zullen hokken | bijzin, toekomende tijd |
| samen zult hokken | bijzin, toekomende tijd |
| samengehokt | verleden tijd, deelwoord |
| samengehokt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| samengehokt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| samenhok | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenhokkend | onvoltooid, deelwoord |
| samenhokt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| samenhokte | bijzin, verleden tijd |
| samenhokten | bijzin, verleden tijd |
| te hebben samengehokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen samenhokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal samengehokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal samengehokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal samengehokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal samenhokken | bijzin, toekomende tijd |
| zou samengehokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou samengehokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou samengehokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou samenhokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) samenhokken samen zou(dt) hokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden samengehokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden samengehokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden samengehokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden samenhokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt samengehokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt samenhokken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen samengehokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen samengehokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen samengehokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen samenhokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen samenhokken | bijzin, toekomende tijd |
| zult samengehokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult samenhokken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult samenhokken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal samenhokken samen zult/zal hokken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van samen bw en hokken ww
Woordfamilie van samenhokken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hok samen | gebiedende wijs | samenhokken |
| hokke samen | woordvorm | samenhokken |
| hokken samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | samenhokken |
| hokt samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | samenhokken |
| hokte samen | verleden tijd | samenhokken |
| hokten samen | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | samenhokken |
| samengehokt | voltooid deelwoord | samenhokken |
| samenhok | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenhokken |
| samenhokke | with-subordinate-clause | samenhokken |
| samenhokkend | onvoltooid deelwoord | samenhokken |
| samenhokkende | woordvorm | samenhokken |
| samenhokt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | samenhokken |
| samenhokte | subordinate-clause, verleden tijd | samenhokken |
| samenhokten | subordinate-clause, verleden tijd | samenhokken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van samenhokken zijn vastgelegd.