knokken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈknɔkə(n)Betekenis
- vechten
- (figuurlijk) vechten
Hoe spreek je knokken uit?
/ˈknɔkən/
Knokken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| ɔ | bot |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van knokken
knokkenhele werkwoord — knokteverleden tijd enkelvoud — knoktenverleden tijd meervoud — geknoktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | knok | knokte |
| jij | knokt | knokte |
| hij, zij, het | knokt | knokte |
| wij | knokken | knokten |
| jullie | knokken | knokten |
| zij | knokken | knokten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is geknokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geknokt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geknokt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geknokt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geknokt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geknokt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geknokt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geknokt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geknokt | verleden tijd, deelwoord |
| geknokt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geknokt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geknokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geknokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geknokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geknokt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geknokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geknokt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geknokt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geknokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geknokt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geknokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geknokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geknokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknokt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geknokt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| knok | gebiedende wijs |
| knokke | aanvoegende wijs |
| knokkend | onvoltooid, deelwoord |
| knokte | verleden tijd |
| te hebben geknokt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te knokken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen knokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geknokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geknokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geknokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal knokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal knokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal knokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geknokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geknokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geknokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou knokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou knokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou knokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geknokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geknokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geknokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden knokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden knokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden knokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geknokt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt knokken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geknokt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geknokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geknokt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen knokken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen knokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen knokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen knokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geknokt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult knokken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord knok
Woordfamilie van knokken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geknokt | voltooid deelwoord | knokken |
| knokke | aanvoegende wijs | knokken |
| knokkend | onvoltooid deelwoord | knokken |
| knokkende | woordvorm | knokken |
| knokt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | knokken |
| knokte | verleden tijd | knokken |
| knokten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | knokken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knokken zijn vastgelegd.