Naar de inhoud

schrokken

zo snel mogelijk eten

schrokken is meer dan één woord

schrokken

werkwoord, zelfstandig naamwoord / ˈsxrɔkə(n) /

Betekenis

  1. zo snel mogelijk eten

Hoe spreek je schrokken uit?

/ˈsxrɔkən/

Schrokken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈsxrɔkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
x acht
r rood
ɔ bot
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van schrokken

schrokkenhele werkwoord — schrokteverleden tijd enkelvoud — schroktenverleden tijd meervoud — geschroktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schrok schrokte
jij schrokt schrokte
hij, zij, het schrokt schrokte
wij schrokken schrokten
jullie schrokken schrokten
zij schrokken schrokten
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geschrokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschrokt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschrokt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschrokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschrokt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschrokt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschrokt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschrokt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschrokt verleden tijd, deelwoord
geschrokt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschrokt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschrokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schrok gebiedende wijs
schrokke aanvoegende wijs
schrokkend onvoltooid, deelwoord
schrokte verleden tijd
te hebben geschrokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schrokken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van schrikken

Vervoeging van schrokken

schrokkenhele werkwoord — schrokteverleden tijd enkelvoud — schroktenverleden tijd meervoud — geschroktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schrok schrokte
jij schrokt schrokte
hij, zij, het schrokt schrokte
wij schrokken schrokten
jullie schrokken schrokten
zij schrokken schrokten
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is geschrokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschrokt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschrokt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschrokt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschrokt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschrokt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschrokt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschrokt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschrokt verleden tijd, deelwoord
geschrokt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschrokt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschrokt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschrokt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschrokt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschrokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschrokt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schrok gebiedende wijs
schrokke aanvoegende wijs
schrokkend onvoltooid, deelwoord
schrokte verleden tijd
te hebben geschrokt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schrokken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschrokt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schrokken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schrokken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschrokt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schrokken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord schrok

Herkomst

In de betekenis van ‘gulzig eten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1715

Woordfamilie van schrokken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geschrokt voltooid deelwoord schrokken
geschrokte woordvorm schrokken
schrokke aanvoegende wijs schrokken
schrokkend onvoltooid deelwoord schrokken
schrokkende woordvorm schrokken
schrokt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon schrokken
schrokte verleden tijd schrokken
schrokten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon schrokken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schrokken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over schrokken

Hoe spreek ik schrokken uit?
Zo spreek je schrokken uit: /ˈsxrɔkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van schrokken?
Schrokken is een werkwoord. De betekenis is: zo snel mogelijk eten.
Hoe vervoeg ik schrokken?
Zo vervoeg je schrokken zo: de tegenwoordige tijd is schrok, de verleden tijd is schrokte en het voltooid deelwoord is geschrokt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op schrokken?

In dit woordenboek rijmen 48 woorden op -okken op schrokken, zoals waterpokken, ontlokken en lokken. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op schrokken, uitspraak ˈsxrɔkən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
waterpokken 4
ontlokken 3
lokken 2
betrokken 3
bokken 2
knokken 2
mokken 2
blokken 2
rokken 2
schokken 2
gokken 2
brokken 2
wokken 2
vlokken 2
jokken 2
pokken 2
samenhokken 4
tokken 2
aambeeldsblokken 4
aanbeeldsblokken 4
aangetrokken 4
aanmaakblokken 4
aanwijsstokken 4
alpenstokken 4
berghokken 4
bocken 2
boekweitvlokken 4
enkelsokken 4
frokken 2
geschrokken 3
getrokken 3
grokken 2
kerkklokken 4
maggiblokken 4
melkmokken 4
nordicwalken 4
omgetrokken 4
omtrokken 3
oorlamsmokken 4
overtrokken 4
Nog 8 rijmwoorden
pennenstokken 4
plokken 2
sokken 2
stekkerblokken 4
teruggetrokken 5
uniformrokken 6
wandelstokken 4
zebraklokken 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schrokken is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. R 2
  5. O 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schrokken levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. R 2
  5. O 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schrokken in het kort

schrokken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van schrokken staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort schrokken bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

schrokken: zo snel mogelijk eten
Deel schrokken — standaardnederlands.nl