risico
zelfstandig naamwoord ˈriziˌkoBetekenis
- een kans op gevaar of schade
- de kans op een onvoorziene gebeurtenis waardoor de waarde van financiële goederen wordt onderuitgehaald
Hoe spreek je risico uit?
/ˈriziˌko/
Risico bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| i | riet |
| z | zon |
| k | kat |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| risico's | meervoud |
| risicootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| risicootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘gevaar voor schade’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1525
Woordfamilie van risico
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| risico's | meervoud | risico |
| risicootje | verkleinwoord | risico |
| risicootjes | verkleinwoord meervoud | risico |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van risico zijn vastgelegd.