bomen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /bomə(n)/Betekenis
- langdurig en uitgebreid praten over minder belangrijke zaken
- met een lange stok een bootje voortduwen
Hoe spreek je bomen uit?
/bomən/
Bomen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van bomen
bomenhele werkwoord — boomdeverleden tijd enkelvoud — boomdenverleden tijd meervoud — geboomdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | boom | boomde |
| jij | boomt | boomde |
| hij, zij, het | boomt | boomde |
| wij | bomen | boomden |
| jullie | bomen | boomden |
| zij | bomen | boomden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bome | aanvoegende wijs |
| bomend | onvoltooid, deelwoord |
| boom | gebiedende wijs |
| boomde | verleden tijd |
| er is geboomd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geboomd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geboomd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geboomd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geboomd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geboomd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geboomd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geboomd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| geboomd | verleden tijd, deelwoord |
| geboomd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geboomd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geboomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geboomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geboomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geboomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geboomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geboomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geboomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geboomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te bomen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geboomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen bomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal bomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal bomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal bomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou bomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou bomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou bomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt bomen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geboomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen bomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen bomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult bomen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geboomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord boom
Herkomst
In de betekenis van ‘punteren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1681
Woordfamilie van bomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bome | aanvoegende wijs | bomen |
| bomend | onvoltooid deelwoord | bomen |
| bomende | woordvorm | bomen |
| geboomde | woordvorm | bomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bomen zijn vastgelegd.