boomklever
zelfstandig naamwoord ˈbomklevərBetekenis
- een klein zangvogeltje met een blauwe rugzijde en een oranjegele buikzijde dat bij het zoeken naar voedsel in de schorsspleten in de boomstam op en neer kan klimmen
Hoe spreek je boomklever uit?
/ˈbomklevər/
Boomklever bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| o | boot |
| m | maan |
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort vogeltje, Sitta europaea, met een blauwe rugzijde en een oranjegele buikzijde dat bij het zoeken naar voedsel in de schorsspleten in de boomstam op en neer kan klimmen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boomklevers | meervoud |
| boomklevertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| boomklevertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van boom zn en klever zn
Woordfamilie van boomklever
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| boomklevertje | verkleinwoord | boomklever |
| boomklevertjes | verkleinwoord meervoud | boomklever |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van boomklever zijn vastgelegd.