stam
zelfstandig naamwoord, werkwoord stɑmBetekenis
- een stengel, de dikke houtige stam van een plant
- een boomstam, het deel van de boom tussen de wortels en de kruin
- (genealogie) geslacht, familielijn
- een volksstam, een samenlevingsvorm bestaande uit groep meer en minder verwante mensen, die meestal minder technologisch gevorderd is
- een grote ader die in kleinere aderen vertakt
- een taxon dat bestaat uit een of meer klassen en dat deel uitmaakt van een rijk
- een onvervoegde of onverbogen woordvorm
- hakkelend, hakkelig, stamelend, stotterig
- kopvoorn, kopvoren
- boomstam
- (samenlevingsvorm)
Hoe spreek je stam uit?
/stɑm/
Stam bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɑ | bad |
| m | maan |
zelfstandig naamwoord — masculine
- dikke houtige stengel van een struik
- deel van de boom tussen de wortels en de kruin
- geslacht, familielijn
- op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
- grote ader die in kleinere aderen vertakt
- taxon dat bestaat uit een of meer klassen en dat deel uitmaakt van een rijk
- onvervoegde of onverbogen woordvorm
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stammen | meervoud |
| stammetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stammetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stammen
- gebiedende wijs van stammen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stammen
Vervoeging van stam
stamhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands stam, in de betekenis van ‘deel van boom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Woordfamilie van stam
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stammetje | verkleinwoord | stam |
| stammetjes | verkleinwoord meervoud | stam |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stam zijn vastgelegd.