bondage
zelfstandig naamwoord ˈbɔndɪtʃBetekenis
- (sadomasochistische) seks waarbij de partner wordt vastgebonden of op vergelijkbare wijze in zijn of haar bewegingsvrijheid beperkt wordt
Hoe spreek je bondage uit?
/ˈbɔndɪtʃ/
Bondage bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ɪ | pit |
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- seks waarbij de partner wordt vastgebonden of op vergelijkbare wijze in zijn of haar bewegingsvrijheid beperkt wordt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| bondages | meervoud |
Herkomst
van Engels bondage, in de betekenis van ‘sadomasochistische omgang met vastgebonden partner’ voor het eerst aangetroffen in 1970
Woordfamilie van bondage
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bondages | meervoud | bondage |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bondage zijn vastgelegd.