arsenaal
zelfstandig naamwoord ˌɑrsəˈnalBetekenis
- opslag plaats voor oorlogsbehoeften voor land- of zeemacht
- de voorraad wapens, middelen die men tot zijn beschikking heeft om iets te doen
Hoe spreek je arsenaal uit?
/ˌɑrsəˈnal/
Arsenaal bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| r | rood |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| a | maan |
| l | land |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- opslagplaats voor oorlogsbehoeften voor land- of zeemacht
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| arsenaaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| arsenaaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| arsenalen | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘bewaarplaats van wapens’ voor het eerst aangetroffen in 1569
Woordfamilie van arsenaal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| arsenaaltje | verkleinwoord | arsenaal |
| arsenaaltjes | verkleinwoord meervoud | arsenaal |
| arsenalen | meervoud | arsenaal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van arsenaal zijn vastgelegd.