man
zelfstandig naamwoord, werkwoord mɑnBetekenis
- persoon van het mannelijk geslacht
- echtgenoot, getrouwde man
- volwassene van het mannelijk geslacht, vaak als tweede deel van een samenstelling waarbij het eerste deel een kenmerkend gebied aanduid
- mens, volwassen persoon
- mannelijk dier
- voedsel dat uit de hemel komt voor de Israëlieten tijdens hun tocht uit Egypte naar Kanaän; het woord kan in Ex. 16:15 ook worden begrepen als 'wat?' (14×: Ex. 16:15, 16:31 +, Num. 11:6 +, Deut. 8:3 +, Joz. 5:12 +, Ps. 78:24, Neh. 9:20)
- eggenoot, (deftig:) gade
- vrou
- hand
- men
- persoon
- mens
- mensheid
- aan mij, voor mij
- echgenoet
- maken
- maar
- mijn
- leenman, vazal
- man
Hoe spreek je man uit?
/mɑn/
Man bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ɑ | bad |
| n | nek |
zelfstandig naamwoord — masculine
- mens, volwassen persoon in het algemeen; ook als aanspreekvorm
- mannelijk exemplaar van een diersoort
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mannen
- gebiedende wijs van mannen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mannen
Vervoeging van man
manhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘mens van mannelijk geslacht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van man
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mannetjes | verkleinwoord meervoud | man |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van man zijn vastgelegd.