huwelijk
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /ɦiu̯ələk/Betekenis
- ambtelijke duurzame verbintenis tussen twee of meer mensen
- juridische en sociale liefdesband tussen man en vrouw, aangegaan voor het leven, met als doel het stichten van een gezin
- sacrament en verbond waarmee een gedoopte man en vrouw zich voor het leven aan elkaar verbinden, met als doel het stichten van een gezin
- samenwerkingsverband
- met betrekking tot het huwelijk
Hoe spreek je huwelijk uit?
/hiuələk/
Huwelijk bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| i | riet |
| u | boek |
| ə | de |
| l | land |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huwelijken | meervoud |
| huwelijkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huwelijkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘echtverbintenis’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van huwelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huwelijke | woordvorm | huwelijk |
| huwelijkje | verkleinwoord | huwelijk |
| huwelijkjes | verkleinwoord meervoud | huwelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huwelijk zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- huwelijks
- huwelijksaangifte
- huwelijksaankondiging
- huwelijksaanzoek
- huwelijksadvertentie
- huwelijksafkondiging
- huwelijksakte
- huwelijksband
- huwelijksbed
- huwelijksbeletsel
- huwelijksbelofte
- huwelijksbootje
- huwelijksbureau
- huwelijkscadeau
- huwelijksceremonie
- huwelijkscontract
- huwelijkscrisis
- huwelijksdag
- huwelijksfeest
- huwelijksgebruik
- huwelijksgeluk
- huwelijksgemeenschap
- huwelijksgeschenk
- huwelijksinzegening