vaart
zelfstandig naamwoord, werkwoord vartBetekenis
- opgebouwde snelheid
- kanaal, bevaarbaar gemaakte watergang
- het varen, het bedrijven van scheepvaart als beroep
- reis, tocht
Hoe spreek je vaart uit?
/vart/
Vaart bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- voortgang
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vaarten | meervoud |
| vaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
- derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van varen
- gebiedende wijs meervoud van varen
Vervoeging van vaart
vaarthele werkwoord
Herkomst
erfwoord via Middelnederlands vaert / vart van Oudnederlands farth, Naamwoord van handeling van varen (met het achtervoegsel -t), in de betekenissen ‘snelheid’ en ‘reis, tocht’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Woordfamilie van vaart
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaarten | meervoud | vaart |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vaart zijn vastgelegd.