baard
zelfstandig naamwoord /baːrt/Betekenis
- typisch mannelijke gezichtsbeharing op en rond de kin
- op een baard lijkend harig uitgroeisel bij diverse organismen
- uitgesneden paneel onder aan de voorzijde van een molenkap
- sleutelblad, het uitstekende onderdeel aan de stang van een sleutel
- de scherpe kant van een bijl, mes. e.d.
Hoe spreek je baard uit?
/bart/
Baard bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| baarden | meervoud |
| baardje | verkleinwoord, enkelvoud |
| baardjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘haar op kin en wangen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van baard
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| baardje | verkleinwoord | baard |
| baardjes | verkleinwoord meervoud | baard |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van baard zijn vastgelegd.