waard
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord /ʋaːrt/Betekenis
- predicatief: ~ zijn in geld uitdrukbaar zijn
- predicatief: ~ zijn anders dan financieel zijn belang hebben
- geacht, beste
Hoe spreek je waard uit?
/wart/
Waard bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als waart.
zelfstandig naamwoord — masculine
- baas van een herberg, taveerne of café
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| waarden | enkelvoud |
| waardje | verkleinwoord |
| waardjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- vlak land in een rivierengebied
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| waarden | enkelvoud |
| waardje | verkleinwoord |
| waardjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- mannelijke eend
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| waarden | enkelvoud |
| waardje | verkleinwoord |
| waardjes | verkleinwoord, enkelvoud |
bijvoeglijk naamwoord
- predicatief: ~ zijn anders dan financieel belang hebben
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [D] waard | canonical |
Woordfamilie van waard
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| waardje | verkleinwoord | waard |
| waardjes | verkleinwoord | waard |
| waards | woordvorm | waard |
| waardst | woordvorm | waard |
| waardste | woordvorm | waard |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van waard zijn vastgelegd.