tempo
zelfstandig naamwoord /'tɛmpo/Betekenis
- de snelheid waarmee een muziekstuk wordt gespeeld
- de snelheid waarmee dingen elkaar opvolgen
- de snelheid waarmee men iets doet
- tijd
- weer
- snelheid waarmee een muziekstuk wordt gespeeld
- periode (helft) waarin de speelduur is verdeeld
- tijd (werkwoordsvorm)
- seizoen
- ritme
- slag, zwemslag; beweging van de armen bij zwemmen
- rychlost
- rytmus
Hoe spreek je tempo uit?
/ˈtɛmpo/
Tempo bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɛ | bed |
| m | maan |
| p | pak |
| o | boot |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tempi (vaktaal) | meervoud |
| tempo's | meervoud |
| tempootje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tempootjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘relatieve snelheid’ voor het eerst aangetroffen in 1839
Woordfamilie van tempo
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tempi | meervoud | tempo |
| tempo's | meervoud | tempo |
| tempootje | verkleinwoord | tempo |
| tempootjes | verkleinwoord meervoud | tempo |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tempo zijn vastgelegd.