haard
zelfstandig naamwoord ˈhartBetekenis
- een plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
- een plaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt
Hoe spreek je haard uit?
/ˈhart/
Haard bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — masculine
- plaats in de woning bedoeld om er een vuur te branden
- plaats van waaruit zich een ziekte of andere ramp verspreidt figuratively
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| haarden | meervoud |
| haardje | verkleinwoord, enkelvoud |
| haardjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
van Middelnederlands hert, in de betekenis van ‘stookplaats’ aangetroffen vanaf 1350
Woordfamilie van haard
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| haardje | verkleinwoord | haard |
| haardjes | verkleinwoord meervoud | haard |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van haard zijn vastgelegd.