kaart
zelfstandig naamwoord, werkwoord kartBetekenis
- een schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
- een bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
- een kartonnen of plastic vel uit een kaartspel, om mee te spelen
- kaart of klein boekje in een horecagelegenheid met een overzicht van wat er zoal besteld kan worden
Hoe spreek je kaart uit?
/kart/
Kaart bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| a | maan |
| r | rood |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- schematische afbeelding van een ruimtelijk gebied op een plat vlak in een verkleinde schaal
- bedrukt kartonnen vel dat met de post verstuurd kan worden
- papieren of digitaal document als bewijs dat je ergens recht op hebt, zoals toegang of deelname
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kaarten | meervoud |
| kaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van kaarten
- gebiedende wijs van kaarten
Vervoeging van kaart
kaarthele werkwoord
Herkomst
van Frans carte, in de betekenis van ‘landkaart’ aangetroffen vanaf 1532, in die van ‘speelkaart’ vanaf 1599
Woordfamilie van kaart
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kaartjes | verkleinwoord meervoud | kaart |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kaart zijn vastgelegd.