tronen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- breeduit zitten als op een troon
- door vleierij iemand tot iets aanzetten
Vervoeging van tronen
tronenhele werkwoord — troondeverleden tijd enkelvoud — troondenverleden tijd meervoud — getroondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | troon | troonde |
| jij | troont | troonde |
| hij, zij, het | troont | troonde |
| wij | tronen | troonden |
| jullie | tronen | troonden |
| zij | tronen | troonden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is getroond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getroond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getroond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getroond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getroond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getroond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getroond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getroond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getroond | verleden tijd, deelwoord |
| getroond te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getroond te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getroond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getroond te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getroond te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getroond worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getroond zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getroond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getroond zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getroond zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getroond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getroond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getroond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getroond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getroond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getroond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te tronen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen tronen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trone | aanvoegende wijs |
| tronend | onvoltooid, deelwoord |
| troon | gebiedende wijs |
| troonde | verleden tijd |
| waart getroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getroond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren getroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getroond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was getroond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was getroond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was getroond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd getroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd getroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd getroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden getroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden getroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden getroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt getroond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word getroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden getroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden getroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden getroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt getroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt getroond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal getroond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getroond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getroond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal getroond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getroond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal tronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal tronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal tronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt getroond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou getroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou tronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou tronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou tronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden tronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden tronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden tronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getroond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getroond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt tronen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getroond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getroond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getroond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getroond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getroond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getroond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen tronen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen tronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen tronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen tronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getroond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getroond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getroond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult tronen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord troon
Herkomst
In de betekenis van ‘meelokken’ voor het eerst aangetroffen in 1501
Woordfamilie van tronen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getroond | voltooid deelwoord | tronen |
| getroonde | woordvorm | tronen |
| trone | aanvoegende wijs | tronen |
| tronend | onvoltooid deelwoord | tronen |
| tronende | woordvorm | tronen |
| troonde | verleden tijd | tronen |
| troonden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | tronen |
| troont | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | tronen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tronen zijn vastgelegd.