tronk
zelfstandig naamwoord trɔŋkBetekenis
- boomstam waarvan het bovenste deel en de takken zijn afgehakt
- onderste deel van een boom bestaand uit de wortels en een deel van de stam dat na het omhakken of omvallen van een boom overblijft
- afgeknotte boom of struik
- stam, ook in figuurlijke betekenis
- (Nederlands-Indië) eenvoudige gevangenis
- gevangenis
Hoe spreek je tronk uit?
/trɔŋk/
Tronk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tronken | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- eenvoudige gevangenis
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tronken | enkelvoud |
Woordfamilie van tronk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tronken | enkelvoud | tronk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tronk zijn vastgelegd.