rijdbaar
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- van iets dat het kan rijden
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| rijdbaarder | onverbogen, vergrotende trap |
| rijdbaardere | verbogen, vergrotende trap |
| rijdbaarders | partitief, vergrotende trap |
| rijdbaars | partitief, stellende trap |
| rijdbaarst | onverbogen, overtreffende trap |
| rijdbaarste | verbogen, overtreffende trap |
| rijdbare | verbogen, stellende trap |
Herkomst
Naamwoord van handeling van rijden met het achtervoegsel -baar
Woordfamilie van rijdbaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| rijdbaarder | vergrotende trap | rijdbaar |
| rijdbaardere | verbogen vergrotende trap | rijdbaar |
| rijdbaarders | partitieve vergrotende trap | rijdbaar |
| rijdbaars | partitive, positive | rijdbaar |
| rijdbaarst | uninflected, superlative | rijdbaar |
| rijdbaarste | inflected, superlative | rijdbaar |
| rijdbare | verbogen vorm | rijdbaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijdbaar zijn vastgelegd.