Naar de inhoud

rekenen

getallen manipuleren

Getallen manipuleren. Ook: iets in rekening brengen, factureren. In rekenen op vertrouw je vast op de uitkomst van een berekening of afspraak.

rekenen

werkwoord ˈrekənə(n)

Betekenis

  1. getallen manipuleren
  2. in rekening brengen, factureren
  3. ~ op vast vertrouwen op de uitkomst van een berekening of afspraak

rekenen in een zin

  • Op school leren kinderen lezen, schrijven en rekenen.
  • Hij rekende de kosten voor de hele week.
  • Je kunt bij die klus op mij rekenen.

Hoe spreek je rekenen uit?

/ˈrekənən/

Rekenen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈrekənən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
r rood
e veel
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van rekenen

rekenenhele werkwoord — rekendeverleden tijd enkelvoud — rekendenverleden tijd meervoud — gerekendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik reken rekende
jij rekent rekende
hij, zij, het rekent rekende
wij rekenen rekenden
jullie rekenen rekenden
zij rekenen rekenden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gerekend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gerekend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gerekend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gerekend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gerekend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gerekend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gerekend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gerekend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gerekend verleden tijd, deelwoord
gerekend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gerekend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gerekend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gerekend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gerekend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerekend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gerekend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerekend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gerekend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reken gebiedende wijs
rekende verleden tijd
rekene aanvoegende wijs
rekenend onvoltooid, deelwoord
te hebben gerekend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te rekenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen rekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gerekend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gerekend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal rekenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal rekenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal rekenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou rekenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou rekenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou rekenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden rekenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden rekenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden rekenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gerekend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt rekenen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gerekend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gerekend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen rekenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen rekenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen rekenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen rekenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gerekend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult rekenen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘tellen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220

Woordfamilie van rekenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gerekend voltooid deelwoord rekenen
gerekende woordvorm rekenen
rekenden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon rekenen
rekene aanvoegende wijs rekenen
rekenend onvoltooid deelwoord rekenen
rekenende woordvorm rekenen
rekent aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon rekenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rekenen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over rekenen

Hoe spreek je rekenen uit?
De uitspraak van rekenen is: /ˈrekənə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent rekenen?
Rekenen is een werkwoord. Het woord betekent: getallen manipuleren. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je rekenen?
Je vervoegt rekenen als volgt: de tegenwoordige tijd is reken, de verleden tijd is rekende en het voltooid deelwoord is gerekend. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op rekenen?

Er staan 6 woorden in dit woordenboek die op rekenen rijmen, waaronder berekenen, betekenen en tekenen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op rekenen, uitspraak ˈrekənən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
berekenen 4
betekenen 4
tekenen 3
meeondertekenen 5
verrekenen 4
vertekenen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord rekenen is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. R 2
  2. E 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

rekenen levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 88 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. R 2
  2. E 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. E 1
  7. N 1
  8. 10 zonder bonus
  9. 88 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

rekenen telt 7 letters, waarvan 4 verschillende, want 3 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

rekenen: getallen manipuleren
Deel rekenen — standaardnederlands.nl