calculeren
werkwoordBetekenis
- iemand berekent iets
Vervoeging van calculeren
calculerenhele werkwoord — calculeerdeverleden tijd enkelvoud — calculeerdenverleden tijd meervoud — gecalculeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | calculeer | calculeerde |
| jij | calculeert | calculeerde |
| hij, zij, het | calculeert | calculeerde |
| wij | calculeren | calculeerden |
| jullie | calculeren | calculeerden |
| zij | calculeren | calculeerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| calculeer | gebiedende wijs |
| calculeerde | verleden tijd |
| calculere | aanvoegende wijs |
| calculerend | onvoltooid, deelwoord |
| er is gecalculeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gecalculeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gecalculeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gecalculeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gecalculeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gecalculeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gecalculeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gecalculeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecalculeerd | verleden tijd, deelwoord |
| gecalculeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecalculeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gecalculeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecalculeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecalculeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecalculeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecalculeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gecalculeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecalculeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gecalculeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecalculeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te calculeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecalculeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen calculeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gecalculeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gecalculeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecalculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecalculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecalculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gecalculeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecalculeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gecalculeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecalculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecalculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecalculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecalculeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecalculeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecalculeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecalculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecalculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecalculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gecalculeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecalculeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecalculeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecalculeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gecalculeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen calculeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecalculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecalculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecalculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gecalculeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecalculeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecalculeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult calculeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecalculeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecalculeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gecalculeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘berekenen’ voor het eerst aangetroffen in 1611
Woordfamilie van calculeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| calculeer | gebiedende wijs | calculeren |
| calculeerde | verleden tijd | calculeren |
| calculeerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | calculeren |
| calculeert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | calculeren |
| calculere | aanvoegende wijs | calculeren |
| calculerend | onvoltooid deelwoord | calculeren |
| calculerende | woordvorm | calculeren |
| gecalculeerd | voltooid deelwoord | calculeren |
| gecalculeerde | woordvorm | calculeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van calculeren zijn vastgelegd.