Naar de inhoud

vorderen

vooruitgang boeken

vorderen

werkwoord

Betekenis

  1. vooruitgang boeken
  2. dwingend iets opeisen

Vervoeging van vorderen

vorderenhele werkwoord — vorderdeverleden tijd enkelvoud — vorderdenverleden tijd meervoud — gevorderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vorder vorderde
jij vordert vorderde
hij, zij, het vordert vorderde
wij vorderen vorderden
jullie vorderen vorderden
zij vorderen vorderden
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben gevorderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gevorderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gevorderd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was gevorderd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gevorderd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gevorderd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gevorderd worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gevorderd zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gevorderd worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gevorderd zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gevorderd verleden tijd, deelwoord
gevorderd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevorderd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevorderd te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevorderd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevorderd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevorderd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevorderd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevorderd zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevorderd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevorderd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben gevorderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is gevorderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gevorderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben/zijn gevorderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vorderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vorderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vorder gebiedende wijs
vorderde verleden tijd
vordere aanvoegende wijs
vorderend onvoltooid, deelwoord
waart gevorderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevorderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gevorderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevorderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gevorderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gevorderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gevorderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gevorderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gevorderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gevorderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gevorderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gevorderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gevorderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gevorderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gevorderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gevorderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gevorderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gevorderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gevorderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gevorderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gevorderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevorderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vorderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vorderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vorderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gevorderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gevorderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gevorderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gevorderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gevorderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevorderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevorderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevorderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vorderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vorderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vorderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevorderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevorderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevorderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vorderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vorderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vorderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevorderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vorderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevorderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevorderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevorderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen vorderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen vorderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen vorderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen vorderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gevorderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gevorderd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult vorderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘eisen’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Woordfamilie van vorderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vorder gebiedende wijs vorderen
vorderde verleden tijd vorderen
vorderden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vorderen
vordere aanvoegende wijs vorderen
vorderend onvoltooid deelwoord vorderen
vorderende woordvorm vorderen
vordert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vorderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vorderen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over vorderen

Wat is de betekenis van vorderen?
Vorderen is een werkwoord. De betekenis is: vooruitgang boeken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik vorderen?
Zo vervoeg je vorderen zo: de tegenwoordige tijd is vorder, de verleden tijd is vorderde en het voltooid deelwoord is gevorderd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vorderen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. R 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vorderen levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. R 2
  4. D 2
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 14 zonder bonus
  10. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vorderen in het kort

vorderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van vorderen staan er 63 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort vorderen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

vorderen: vooruitgang boeken
Deel vorderen — standaardnederlands.nl