vorderen
werkwoordBetekenis
- vooruitgang boeken
- dwingend iets opeisen
Vervoeging van vorderen
vorderenhele werkwoord — vorderdeverleden tijd enkelvoud — vorderdenverleden tijd meervoud — gevorderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vorder | vorderde |
| jij | vordert | vorderde |
| hij, zij, het | vordert | vorderde |
| wij | vorderen | vorderden |
| jullie | vorderen | vorderden |
| zij | vorderen | vorderden |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben gevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevorderd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was gevorderd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd gevorderd | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt gevorderd | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gevorderd worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal gevorderd zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou gevorderd worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou gevorderd zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevorderd | verleden tijd, deelwoord |
| gevorderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevorderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevorderd te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevorderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevorderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevorderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevorderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevorderd zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevorderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevorderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| hebben gevorderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is gevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn gevorderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vorderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vorderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vorder | gebiedende wijs |
| vorderde | verleden tijd |
| vordere | aanvoegende wijs |
| vorderend | onvoltooid, deelwoord |
| waart gevorderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevorderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevorderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevorderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevorderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevorderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevorderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevorderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevorderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevorderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevorderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn gevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevorderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevorderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevorderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevorderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevorderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevorderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevorderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevorderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevorderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevorderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevorderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vorderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevorderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevorderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vorderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘eisen’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van vorderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vorder | gebiedende wijs | vorderen |
| vorderde | verleden tijd | vorderen |
| vorderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vorderen |
| vordere | aanvoegende wijs | vorderen |
| vorderend | onvoltooid deelwoord | vorderen |
| vorderende | woordvorm | vorderen |
| vordert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vorderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vorderen zijn vastgelegd.