Naar de inhoud

optellen

bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd

optellen

werkwoord ˈɔptɛlə(n)

Betekenis

  1. bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd

Hoe spreek je optellen uit?

/ˈɔptɛlən/

Optellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɔptɛlən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɔ bot
p pak
t tak
ɛ bed
l land
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van optellen

optellenhele werkwoord — telde opverleden tijd enkelvoud — telden opverleden tijd meervoud — opgeteldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik tel op telde op
jij telt op telde op
hij, zij, het telt op telde op
wij tellen op telden op
jullie tellen op telden op
zij tellen op telden op
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is opgeteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was opgeteld impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd opgeteld impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt opgeteld impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal opgeteld worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal opgeteld zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou opgeteld worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou opgeteld zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had opgeteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had opgeteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had opgeteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden opgeteld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden opgeteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden opgeteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt opgeteld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb opgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben opgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben opgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben opgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt opgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft opgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is opgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
op te tellen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
op te zullen tellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
op zal tellen bijzin, toekomende tijd
op zou tellen bijzin, voorwaardelijk
op zouden tellen bijzin, voorwaardelijk
op zoudt tellen bijzin, voorwaardelijk
op zullen tellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
op zullen tellen bijzin, toekomende tijd
op zult tellen bijzin, toekomende tijd
opgeteld verleden tijd, deelwoord
opgeteld te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeteld te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
opgeteld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeteld te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeteld te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
opgeteld worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeteld zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
opgeteld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeteld zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
opgeteld zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
optel bijzin, tegenwoordige tijd
optelde bijzin, verleden tijd
optelden bijzin, verleden tijd
optellend onvoltooid, deelwoord
optelt bijzin, tegenwoordige tijd
te hebben opgeteld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen optellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
tel op gebiedende wijs
telde op verleden tijd
waren opgeteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
was opgeteld voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd opgeteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden opgeteld enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden opgeteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt opgeteld enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal opgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal opgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal opgeteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal opgeteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal optellen bijzin, toekomende tijd
zijn opgeteld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zou opgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou opgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou opgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou opgeteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou opgeteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou optellen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) optellen op zou(dt) tellen bijzin, voorwaardelijk
zouden opgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden opgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden opgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeteld worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden opgeteld zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden optellen bijzin, voorwaardelijk
zoudt opgeteld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt optellen bijzin, voorwaardelijk
zullen opgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen opgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen opgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeteld worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen opgeteld zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen optellen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen optellen bijzin, toekomende tijd
zult opgeteld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult optellen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult optellen bijzin, toekomende tijd
zult/zal optellen op zult/zal tellen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

In de betekenis van ‘bijeentellen’ voor het eerst aangetroffen in 1710

Woordfamilie van optellen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
opgeteld voltooid deelwoord optellen
opgetelde woordvorm optellen
optel subordinate-clause, tegenwoordige tijd optellen
optelde subordinate-clause, verleden tijd optellen
optelden subordinate-clause, verleden tijd optellen
optelle with-subordinate-clause optellen
optellend onvoltooid deelwoord optellen
optellende woordvorm optellen
optelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd optellen
tel op gebiedende wijs optellen
telde op verleden tijd optellen
telden op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon optellen
telle op woordvorm optellen
tellen op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon optellen
telt op aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon optellen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van optellen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over optellen

Hoe spreek ik optellen uit?
Zo spreek je optellen uit: /ˈɔptɛlə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van optellen?
Optellen is een werkwoord. De betekenis is: bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd.
Hoe vervoeg ik optellen?
Zo vervoeg je optellen zo: het voltooid deelwoord is opgeteld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord optellen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. P 3
  3. T 2
  4. E 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

optellen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. P 4
  3. T 2
  4. E 1
  5. L 3
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

optellen in het kort

optellen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van optellen staan er 78 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort optellen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

optellen: bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
Deel optellen — standaardnederlands.nl