cijferen
werkwoordBetekenis
- rekenen; met cijfers werken.
Vervoeging van cijferen
cijferenhele werkwoord — cijferdeverleden tijd enkelvoud — cijferdenverleden tijd meervoud — gecijferdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | cijfer | cijferde |
| jij | cijfert | cijferde |
| hij, zij, het | cijfert | cijferde |
| wij | cijferen | cijferden |
| jullie | cijferen | cijferden |
| zij | cijferen | cijferden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| cijfer | gebiedende wijs |
| cijferde | verleden tijd |
| cijfere | aanvoegende wijs |
| cijferend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gecijferd | verleden tijd, deelwoord |
| gecijferd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gecijferd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gecijferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gecijferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gecijferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gecijferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gecijferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gecijferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gecijferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gecijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecijferd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gecijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gecijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gecijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gecijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gecijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te cijferen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gecijferd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen cijferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gecijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gecijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gecijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gecijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gecijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gecijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gecijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gecijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gecijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gecijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen cijferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gecijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gecijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gecijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult cijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gecijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van cijfer met het achtervoegsel -en, misschien leenvertaling van Frans chiffrer
Woordfamilie van cijferen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| cijferde | verleden tijd | cijferen |
| cijferden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | cijferen |
| cijfere | aanvoegende wijs | cijferen |
| cijferend | onvoltooid deelwoord | cijferen |
| cijferende | woordvorm | cijferen |
| cijfert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | cijferen |
| gecijferd | voltooid deelwoord | cijferen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cijferen zijn vastgelegd.