Naar de inhoud

aftrekken

rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt

aftrekken is meer dan één woord

Aftrekken is ook het meervoud van het zelfstandig naamwoord aftrek.

Een getal van een ander getal afhalen. Ook: iets met een trekkende beweging losmaken, de trekker van een vuurwapen overhalen, of korten op een bedrag.

aftrekken

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɑftrɛkə(n)

Betekenis

  1. rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
  2. iets met een trekkende beweging losmaken, verwijderen door te trekken
  3. de trekker van een pistool overhalen
  4. korten
  5. (Limburg) een foto (van iets of iemand) maken
  6. (Limburg) de wc doorspoelen
  7. (Noord-Nederland) zich ~: masturberen van een man.
  8. een man met de hand seksueel bevredigen
  9. een infusie (aftreksel) maken van iets
  10. het strijdperk of de belegering verlaten, zich verwijderen, weggaan

aftrekken in een zin

  • Je moet de korting nog van het totaalbedrag aftrekken.
  • Voorzichtig trok hij het pleister van de wond af.
  • Van tien aftrekken tot je bij nul uitkomt.

Gebruik

Aftrekken is scheidbaar: in een hoofdzin schuift af naar achteren, zoals in hij trok het bedrag af.

Let op: De vervoeging is onregelmatig: trok af, afgetrokken.

Hoe spreek je aftrekken uit?

/ˈɑftrɛkən/

Aftrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈɑftrɛkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
ɑ bad
f fiets
t tak
r rood
ɛ bed
k kat
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een foto (van iets of iemand) maken Limburg, transitive
  2. de wc doorspoelen Limburg, transitive
  3. zich ~: masturberen van een man. Northern-Netherland, reflexive, vernacular

Vervoeging van aftrekken

aftrekkenhele werkwoord — trok afverleden tijd enkelvoud — trokken afverleden tijd meervoud — afgetrokkenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik trek af trok af
jij trekt af trok af
hij, zij, het trekt af trok af
wij trekken af trokken af
jullie trekken af trokken af
zij trekken af trokken af
Alle 95 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
af te trekken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
af te zullen trekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
af zal trekken bijzin, toekomende tijd
af zou trekken bijzin, voorwaardelijk
af zouden trekken bijzin, voorwaardelijk
af zoudt trekken bijzin, voorwaardelijk
af zullen trekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
af zullen trekken bijzin, toekomende tijd
af zult trekken bijzin, toekomende tijd
afgetrokken verleden tijd, deelwoord
afgetrokken te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
afgetrokken zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aftrek bijzin, tegenwoordige tijd
aftrekkend onvoltooid, deelwoord
aftrekt bijzin, tegenwoordige tijd
aftrok bijzin, verleden tijd
aftrokken bijzin, verleden tijd
er is afgetrokken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was afgetrokken impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd afgetrokken impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt afgetrokken impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal afgetrokken worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal afgetrokken zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou afgetrokken worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou afgetrokken zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had afgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had afgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had afgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden afgetrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden afgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden afgetrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt afgetrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb afgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgetrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben afgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben afgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben afgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt afgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft afgetrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben afgetrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aftrekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
trek af gebiedende wijs
trek u/je af, trekt je af gebiedende wijs
trok af verleden tijd
zal afgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal afgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal afgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aftrekken bijzin, toekomende tijd
zal me aftrekken eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal zich aftrekken derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je aftrekken tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich afgetrokken hebben verleden tijd
zich aftrekkend onvoltooid, deelwoord
zou afgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou afgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou afgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aftrekken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aftrekken af zou(dt) trekken bijzin, voorwaardelijk
zouden afgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden afgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden afgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aftrekken bijzin, voorwaardelijk
zoudt afgetrokken hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aftrekken bijzin, voorwaardelijk
zullen afgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen afgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen afgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aftrekken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aftrekken bijzin, toekomende tijd
zullen je aftrekken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons aftrekken eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen zich aftrekken derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult afgetrokken hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aftrekken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aftrekken bijzin, toekomende tijd
zult u aftrekken tweede persoon
zult u aftrekken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult zich/u aftrekken tweede persoon
zult zich/u aftrekken tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult/zal aftrekken af zult/zal trekken bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord aftrek

Herkomst

In de betekenis van ‘in de wiskunde: verminderen’ voor het eerst aangetroffen in 1445

Woordfamilie van aftrekken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
afgetrokken voltooid deelwoord aftrekken
aftrekke with-subordinate-clause aftrekken
aftrekkend onvoltooid deelwoord aftrekken
aftrekkende woordvorm aftrekken
aftrekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aftrekken
aftrok subordinate-clause, verleden tijd aftrekken
aftrokken subordinate-clause, verleden tijd aftrekken
trek af gebiedende wijs aftrekken
trekke af woordvorm aftrekken
trekken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aftrekken
trekt af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aftrekken
trok af verleden tijd aftrekken
trokken af aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aftrekken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftrekken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aftrekken

Hoe spreek je aftrekken uit?
De uitspraak van aftrekken is: /ˈɑftrɛkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aftrekken?
Aftrekken is een werkwoord. Het woord betekent: rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt. Deze pagina beschrijft 13 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aftrekken?
Je vervoegt aftrekken als volgt: het voltooid deelwoord is afgetrokken. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aftrekken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. F 4
  3. T 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aftrekken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. F 4
  3. T 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aftrekken: rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
Deel aftrekken — standaardnederlands.nl