aftrekken
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈɑftrɛkə(n)Betekenis
- rekenkundige bewerking waarbij een getal met een getal verminderd wordt
- iets met een trekkende beweging losmaken, verwijderen door te trekken
- de trekker van een pistool overhalen
- korten
- (Limburg) een foto (van iets of iemand) maken
- (Limburg) de wc doorspoelen
- (Noord-Nederland) zich ~: masturberen van een man.
- een man met de hand seksueel bevredigen
- een infusie (aftreksel) maken van iets
- het strijdperk of de belegering verlaten, zich verwijderen, weggaan
aftrekken in een zin
- Je moet de korting nog van het totaalbedrag aftrekken.
- Voorzichtig trok hij het pleister van de wond af.
- Van tien aftrekken tot je bij nul uitkomt.
Gebruik
Aftrekken is scheidbaar: in een hoofdzin schuift af naar achteren, zoals in hij trok het bedrag af.
Let op: De vervoeging is onregelmatig: trok af, afgetrokken.
Hoe spreek je aftrekken uit?
/ˈɑftrɛkən/
Aftrekken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| f | fiets |
| t | tak |
| r | rood |
| ɛ | bed |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een foto (van iets of iemand) maken Limburg, transitive
- de wc doorspoelen Limburg, transitive
- zich ~: masturberen van een man. Northern-Netherland, reflexive, vernacular
Vervoeging van aftrekken
aftrekkenhele werkwoord — trok afverleden tijd enkelvoud — trokken afverleden tijd meervoud — afgetrokkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | trek af | trok af |
| jij | trekt af | trok af |
| hij, zij, het | trekt af | trok af |
| wij | trekken af | trokken af |
| jullie | trekken af | trokken af |
| zij | trekken af | trokken af |
Alle 95 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| af te trekken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| af te zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| af zal trekken | bijzin, toekomende tijd |
| af zou trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zouden trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zoudt trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| af zullen trekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| af zullen trekken | bijzin, toekomende tijd |
| af zult trekken | bijzin, toekomende tijd |
| afgetrokken | verleden tijd, deelwoord |
| afgetrokken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| afgetrokken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aftrek | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| aftrekt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aftrok | bijzin, verleden tijd |
| aftrokken | bijzin, verleden tijd |
| er is afgetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was afgetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd afgetrokken | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt afgetrokken | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal afgetrokken worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal afgetrokken zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou afgetrokken worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou afgetrokken zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had afgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had afgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had afgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden afgetrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden afgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden afgetrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt afgetrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb afgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben afgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben afgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben afgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt afgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft afgetrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben afgetrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aftrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trek af | gebiedende wijs |
| trek u/je af, trekt je af | gebiedende wijs |
| trok af | verleden tijd |
| zal afgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal afgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal afgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aftrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zal me aftrekken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich aftrekken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je aftrekken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich afgetrokken hebben | verleden tijd |
| zich aftrekkend | onvoltooid, deelwoord |
| zou afgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou afgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou afgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aftrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aftrekken af zou(dt) trekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden afgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden afgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden afgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aftrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt afgetrokken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aftrekken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen afgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen afgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen afgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aftrekken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aftrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen je aftrekken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons aftrekken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen zich aftrekken | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult afgetrokken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aftrekken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aftrekken | bijzin, toekomende tijd |
| zult u aftrekken | tweede persoon |
| zult u aftrekken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult zich/u aftrekken | tweede persoon |
| zult zich/u aftrekken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal aftrekken af zult/zal trekken | bijzin, toekomende tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord aftrek
Herkomst
In de betekenis van ‘in de wiskunde: verminderen’ voor het eerst aangetroffen in 1445
Woordfamilie van aftrekken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| afgetrokken | voltooid deelwoord | aftrekken |
| aftrekke | with-subordinate-clause | aftrekken |
| aftrekkend | onvoltooid deelwoord | aftrekken |
| aftrekkende | woordvorm | aftrekken |
| aftrekt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aftrekken |
| aftrok | subordinate-clause, verleden tijd | aftrekken |
| aftrokken | subordinate-clause, verleden tijd | aftrekken |
| trek af | gebiedende wijs | aftrekken |
| trekke af | woordvorm | aftrekken |
| trekken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aftrekken |
| trekt af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aftrekken |
| trok af | verleden tijd | aftrekken |
| trokken af | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aftrekken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aftrekken zijn vastgelegd.