becijferen
werkwoordBetekenis
- uitrekenen
- door cijfers aanwijzen
- notaties door cijfers aangeven
Vervoeging van becijferen
becijferenhele werkwoord — becijferdeverleden tijd enkelvoud — becijferdenverleden tijd meervoud — becijferdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | becijfer | becijferde |
| jij | becijfert | becijferde |
| hij, zij, het | becijfert | becijferde |
| wij | becijferen | becijferden |
| jullie | becijferen | becijferden |
| zij | becijferen | becijferden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| becijfer | gebiedende wijs |
| becijferd | verleden tijd, deelwoord |
| becijferd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| becijferd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| becijferd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| becijferd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| becijferd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| becijferd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| becijferd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| becijferd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| becijferd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| becijferd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| becijferde | verleden tijd |
| becijfere | aanvoegende wijs |
| becijferend | onvoltooid, deelwoord |
| ben becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is becijferd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was becijferd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd becijferd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt becijferd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal becijferd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal becijferd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou becijferd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou becijferd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had becijferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had becijferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had becijferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden becijferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden becijferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden becijferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt becijferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben becijferd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te becijferen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben becijferd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen becijferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart becijferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren becijferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren becijferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren becijferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was becijferd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was becijferd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was becijferd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd becijferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd becijferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd becijferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden becijferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden becijferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden becijferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt becijferd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word becijferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden becijferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden becijferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden becijferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt becijferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt becijferd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal becijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal becijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal becijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal becijferd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal becijferd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt becijferd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou becijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou becijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou becijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou becijferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou becijferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou becijferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden becijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden becijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden becijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden becijferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden becijferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden becijferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt becijferd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt becijferd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen becijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen becijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen becijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen becijferd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen becijferd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen becijferd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen becijferen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult becijferd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult becijferd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult becijferd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult becijferen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van cijferen met het voorvoegsel be-
Woordfamilie van becijferen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| becijfer | gebiedende wijs | becijferen |
| becijferd | voltooid deelwoord | becijferen |
| becijferde | verleden tijd | becijferen |
| becijferden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | becijferen |
| becijfere | aanvoegende wijs | becijferen |
| becijferend | onvoltooid deelwoord | becijferen |
| becijferende | woordvorm | becijferen |
| becijfert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | becijferen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van becijferen zijn vastgelegd.