prijs
zelfstandig naamwoord, werkwoord prɛisBetekenis
- het bedrag (meestal in geld) dat betaald wordt voor een goed of een dienst
- een uitzonderlijke beloning, bijvoorbeeld voor een bepaalde prestatie
- buitgemaakt schip
- niet financiële kosten van iets
Hoe spreek je prijs uit?
/prɛis/
Prijs bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| prijsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| prijsjes | verkleinwoord, meervoud |
| prijzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prijzen
- gebiedende wijs van prijzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van prijzen
Vervoeging van prijs
prijshele werkwoord
Herkomst
[1], [2]: via Middelnederlands prise "lof, waarde" van Oudfrans pris dat teruggaat op Latijn pretium zn "prijs, waarde, beloning"; in de betekenis van ‘kosten’ voor het eerst aangetroffen in 1250
Woordfamilie van prijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| prijsje | verkleinwoord | prijs |
| prijsjes | verkleinwoord meervoud | prijs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prijs zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- prijsafspraak
- prijsbeest
- prijsbewust
- prijscompensatie
- prijscontrole
- prijselasticiteit
- prijserosie
- prijsgeven
- prijsindex
- prijskaart
- prijskamp
- prijsklas
- prijsklasse
- prijslijst
- prijsmechanisme
- prijsnotering
- prijspeil
- prijspolitiek
- prijsstabiliteit
- prijsstelling
- prijsstijging
- prijstechnisch
- prijstransparantie
- prijsuitreiking