grijs
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord ɣrɛisBetekenis
- elke achromatische tint tussen wit en zwart
- de kleur grijs hebbend
Hoe spreek je grijs uit?
/xrɛis/
Grijs bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| x | acht |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
bijvoeglijk naamwoord
- kleurloos doordat er geen pigment meer wordt aangemaakt
- onduidelijk, bijv. of het volgens de regels wel of niet is toegestaan figuratively
- beneden peil, ≈ onethisch figuratively
- eentonig, saai figuratively
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijzen
- gebiedende wijs van grijzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van grijzen
Vervoeging van grijs
grijshele werkwoord
Herkomst
in de betekenis van ‘lichtgrauw’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1140
Woordfamilie van grijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| grijste | woordvorm | grijs |
| grijzere | woordvorm | grijs |
| grijzers | woordvorm | grijs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van grijs zijn vastgelegd.