prijken
werkwoord /ˈprɛikə(n)/Betekenis
- opvallend zichtbaar zijn
Hoe spreek je prijken uit?
/ˈprɛikən/
Prijken bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| r | rood |
| ɛi | trein |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van prijken
prijkenhele werkwoord — prijkteverleden tijd enkelvoud — prijktenverleden tijd meervoud — geprijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | prijk | prijkte |
| jij | prijkt | prijkte |
| hij, zij, het | prijkt | prijkte |
| wij | prijken | prijkten |
| jullie | prijken | prijkten |
| zij | prijken | prijkten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geprijkt | verleden tijd, deelwoord |
| geprijkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geprijkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geprijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geprijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geprijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geprijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geprijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geprijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geprijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geprijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geprijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geprijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geprijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geprijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geprijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| prijk | gebiedende wijs |
| prijke | aanvoegende wijs |
| prijkend | onvoltooid, deelwoord |
| prijkte | verleden tijd |
| te hebben geprijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te prijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen prijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geprijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geprijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geprijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal prijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal prijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal prijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geprijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geprijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geprijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou prijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou prijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou prijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geprijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geprijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geprijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden prijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden prijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden prijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geprijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt prijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geprijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geprijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geprijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen prijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen prijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen prijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen prijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geprijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult prijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘pronken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1599
Woordfamilie van prijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geprijkt | voltooid deelwoord | prijken |
| prijk | gebiedende wijs | prijken |
| prijke | aanvoegende wijs | prijken |
| prijkend | onvoltooid deelwoord | prijken |
| prijkende | woordvorm | prijken |
| prijkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | prijken |
| prijkte | verleden tijd | prijken |
| prijkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | prijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van prijken zijn vastgelegd.