onderwijs
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɔndərˌwɛisBetekenis
- het overbrengen van kennis en vaardigheden (door leraren)
Hoe spreek je onderwijs uit?
/ˈɔndərˌwɛis/
Onderwijs bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| ə | de |
| r | rood |
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderwijzen
- gebiedende wijs van onderwijzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van onderwijzen
Vervoeging van onderwijs
onderwijshele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| onderwíjs | canonical |
Herkomst
zn: van Middelnederlands onderwijs, naamwoord van handeling van onderwijzen ww
Afleidingen en samenstellingen
- onderwijsaanbod
- onderwijsachterstand
- onderwijsactiviteit
- onderwijsadviescentrum
- onderwijsakkoord
- onderwijsassistent
- onderwijsbevoegdheid
- onderwijsbond
- onderwijsconcept
- onderwijscoördinator
- onderwijsdeskundige
- onderwijsdirecteur
- onderwijsfunctie
- onderwijsgevende
- onderwijsinspectie
- onderwijsinstelling
- onderwijskracht
- onderwijskunde
- onderwijskundig
- onderwijskwaliteit
- onderwijsleerplan
- onderwijsmanager
- onderwijsmarkt
- onderwijsmethode