wijs
bijvoeglijk naamwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord wɛisBetekenis
- van groot inzicht getuigend
- een melodie
- grammaticale categorie waarmee de relatie wordt aangegeven tussen een werkwoord en de werkelijkheid, modus
- wijze, manier
Hoe spreek je wijs uit?
/wɛis/
Wijs bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛi | trein |
| s | sok |
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijzen
- gebiedende wijs van wijzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wijzen
Vervoeging van wijs
wijshele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘verstandig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1201
Woordfamilie van wijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| wijsje | woordvorm | wijs |
| wijsjes | meervoud | wijs |
| wijste | inflected, superlative | wijs |
| wijzere | verbogen vergrotende trap | wijs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wijs zijn vastgelegd.