vijs
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord vɛisBetekenis
- ijzeren staafje of kegeltje met schroefdraad dat gebruikt wordt om voorwerpen vast te maken.
- vies, vuil
Hoe spreek je vijs uit?
/vɛis/
Vijs bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɛi | trein |
| s | sok |
Klinkt hetzelfde als veis.
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- ijzeren staafje of kegeltje met schroefdraad dat gebruikt wordt om voorwerpen vast te maken
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vijsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vijsjes | verkleinwoord, meervoud |
| vijzen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vijzen
- gebiedende wijs van vijzen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vijzen
Vervoeging van vijs
vijshele werkwoord
Herkomst
zn: van Middelnederlands vise / vijs / vijse "schroef, windas", via Middelfrans vis / viz "schroef" van Latijn vitis "wijnrank", voor het eerst aangetroffen in 1350
Woordfamilie van vijs
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vijsje | verkleinwoord | vijs |
| vijsjes | verkleinwoord meervoud | vijs |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vijs zijn vastgelegd.