economie
zelfstandig naamwoord ˌekonoˈmiBetekenis
- de leer die zich bezighoudt met de voortbrenging en verdeling van schaarse goederen en diensten
- de economische praktijk ofwel het geheel van productie, handelsverkeer en diensten binnen een bepaalde regio
- het economisch systeem ofwel de wijze waarop de economische praktijk is ingericht
- Zuinigheid
- staathuiskunde
- bedrijvigheid, marktsamenleving
- nationale huishouding, staatshuishouding
- bezuiniging, doelmatigheid
Hoe spreek je economie uit?
/ˌekonoˈmi/
Economie bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de vierde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| e | veel |
| k | kat |
| o | boot |
| n | nek |
| m | maan |
| i | riet |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| economietje | verkleinwoord, enkelvoud |
| economietjes | verkleinwoord, meervoud |
| economieën | meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zuinigheid’ voor het eerst aangetroffen in 1793
Woordfamilie van economie
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| economietje | verkleinwoord | economie |
| economietjes | verkleinwoord meervoud | economie |
| economieën | meervoud | economie |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van economie zijn vastgelegd.