eis
zelfstandig naamwoord, werkwoord /ɛɪ̯s/Betekenis
- een dwingende vraag, een noodzakelijke voorwaarde voor iets
- de straf die de officier van justitie passend vind om opgelegd te worden
- zij (nominatief mannelijk meervoud van de derde persoon)
- hun, aan/voor hen; (aan/voor) deze/die (datief mannelijk of vrouwelijk meervoud van de derde persoon)
- er, eraan/ervoor; hieraan/hiervoor, daaraan/daarvoor (datief onzijdig meervoud van de derde persoon)
- door/met hen; door/met deze/die (ablatief mannelijk of vrouwelijk meervoud van de derde persoon)
- erdoor, ermee; hierdoor/hierdoor, daarmee/daardoor (ablatief onzijdig meervoud van de derde persoon)
- ons (accusatief van de eerste persoon meervoud)
- (aan/voor) ons (datief van de eerste persoon meervoud)
Hoe spreek je eis uit?
/ɛis/
Eis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɛi | trein |
| s | sok |
Klinkt hetzelfde als ijs.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| eisen | meervoud |
| eisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| eisjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eisen
- gebiedende wijs van eisen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van eisen
Vervoeging van eis
eishele werkwoord
Herkomst
Afkomstig van het Middelnederlandse eisc, Middelnederduitse eisch
Woordfamilie van eis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| eisje | verkleinwoord | eis |
| eisjes | verkleinwoord meervoud | eis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van eis zijn vastgelegd.