praaien
werkwoordBetekenis
- iemand aanspreken, aanklampen, aanroepen, oproepen
- in het bijzonder: (op zee) (via de radio) communicatie beginnen
Vervoeging van praaien
praaienhele werkwoord — praaideverleden tijd enkelvoud — praaidenverleden tijd meervoud — gepraaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | praai | praaide |
| jij | praait | praaide |
| hij, zij, het | praait | praaide |
| wij | praaien | praaiden |
| jullie | praaien | praaiden |
| zij | praaien | praaiden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gepraaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepraaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepraaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepraaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepraaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepraaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepraaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepraaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepraaid | verleden tijd, deelwoord |
| gepraaid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepraaid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gepraaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepraaid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepraaid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepraaid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepraaid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gepraaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepraaid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepraaid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| praai | gebiedende wijs |
| praaide | verleden tijd |
| praaie | aanvoegende wijs |
| praaiend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepraaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te praaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen praaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gepraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gepraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gepraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gepraaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gepraaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gepraaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gepraaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gepraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gepraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal praaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal praaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal praaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gepraaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gepraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou praaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou praaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou praaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden praaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden praaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden praaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepraaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepraaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt praaien | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen praaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen praaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen praaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen praaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepraaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepraaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepraaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult praaien | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘aanspreken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1651
Woordfamilie van praaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepraaid | voltooid deelwoord | praaien |
| gepraaide | woordvorm | praaien |
| praai | gebiedende wijs | praaien |
| praaide | verleden tijd | praaien |
| praaiden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | praaien |
| praaie | aanvoegende wijs | praaien |
| praaiend | onvoltooid deelwoord | praaien |
| praaiende | woordvorm | praaien |
| praait | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | praaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van praaien zijn vastgelegd.