Naar de inhoud

overlappen

iets gedeeltelijk van twee zijden met een laag bedekken

overlappen is meer dan één woord

overlappen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˌovərˈlɑpə(n)

Betekenis

  1. iets gedeeltelijk van twee zijden met een laag bedekken
  2. elkaar ~ gedeeltelijk van twee zijden laagsgewijs bedekken
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Hoe spreek je overlappen uit?

/ˌovərˈlɑpən/

Overlappen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.

De tekens in /ˌovərˈlɑpən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
o boot
v vis
ə de
r rood
l land
ɑ bad
p pak
n nek
ˌ een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. gedeeltelijk dubbel bedekken transitive
  2. gedeeltelijk samenvallen figuratively, transitive

Vervoeging van overlappen

overlappenhele werkwoord — overlapteverleden tijd enkelvoud — overlaptenverleden tijd meervoud — overlaptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik overlap overlapte
jij overlapt overlapte
hij, zij, het overlapt overlapte
wij overlappen overlapten
jullie overlappen overlapten
zij overlappen overlapten
Alle 161 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
[A] overláppen canonical
ben overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is overlapt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was overlapt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd overlapt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt overlapt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal overlapt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal overlapt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou overlapt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou overlapt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had overlapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had overlapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had overlapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden overlapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden overlapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden overlapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt overlapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overlapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
overlap gebiedende wijs
overlap me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overlap u/je , overlapt je gebiedende wijs
overlappe aanvoegende wijs
overlappe zich aanvoegende wijs
overlappen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overlappen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overlappen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overlappend onvoltooid, deelwoord
overlapt verleden tijd, deelwoord
overlapt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overlapt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overlapt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
overlapt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overlapt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
overlapt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
overlapt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overlapt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overlapt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overlapt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
overlapt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overlapt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
overlapt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
overlapt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overlapt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
overlapt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
overlapte verleden tijd
overlapte je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
overlapte me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
overlapte u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
overlapte u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overlapte zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
overlapte zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
overlapte zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overlapten je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
overlapten ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
overlapten zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
te hebben overlapt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te overlappen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen overlappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart overlapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overlapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren overlapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren overlapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was overlapt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was overlapt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was overlapt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd overlapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd overlapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd overlapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden overlapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden overlapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden overlapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt overlapt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word overlapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden overlapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden overlapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden overlapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt overlapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt overlapt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me overlappen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal overlappen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal overlappen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal overlappen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal overlapt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overlapt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal overlapt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal overlapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overlapt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal overlapt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal overlapt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich overlappen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je overlappen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich overlappend onvoltooid, deelwoord
zich overlapt hebben verleden tijd
zijn overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt overlapt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou overlappen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou overlappen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou overlappen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou overlapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overlapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overlapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou overlapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overlapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou overlapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overlapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou overlapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou overlapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overlappen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overlappen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overlappen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden overlapt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overlapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overlapt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overlapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden overlapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden overlapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden overlapt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden overlapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden overlapt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt overlappen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt overlapt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overlapt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt overlapt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je overlappen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons overlappen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen overlappen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord overlap

werkwoord

  1. opnieuw met een doek schoonmaken transitive

Vervoeging van overlappen

overlappenhele werkwoord — overgelaptvoltooid deelwoord

Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[C] óverlappen canonical
lapte over verleden tijd
overgelapt verleden tijd, deelwoord

Woordfamilie van overlappen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
lappe over woordvorm overlappen
overlappe aanvoegende wijs overlappen
overlappend onvoltooid deelwoord overlappen
overlappende woordvorm overlappen
overlapt voltooid deelwoord overlappen
overlapte verleden tijd overlappen
overlapten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon overlappen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van overlappen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over overlappen

Hoe spreek ik overlappen uit?
Zo spreek je overlappen uit: /ˌovərˈlɑpə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van overlappen?
Overlappen is een werkwoord. De betekenis is: iets gedeeltelijk van twee zijden met een laag bedekken. In totaal staan er 7 betekenissen.
Hoe vervoeg ik overlappen?
Zo vervoeg je overlappen zo: de tegenwoordige tijd is overlap, de verleden tijd is overlapte en het voltooid deelwoord is overlapt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op overlappen?

In dit woordenboek rijmen 29 woorden op -appen op overlappen, zoals trappen, stappen en schrappen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op overlappen, uitspraak ˌovərˈlɑpən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
trappen 2
stappen 2
schrappen 2
snappen 2
kappen 2
klappen 2
pappen 2
ginnegappen 4
lappen 2
vertrappen 3
tjappen 2
vertappen 3
aalbessensappen 5
aartsbroederschappen 5
afschermkappen 5
berkensappen 4
beschermkappen 5
bijbelwetenschappen 6
frappen 2
geowetenschappen 6
ingenieurswetenschappen 7
kamerlidmaatschappen 6
lammetjespappen 5
maïspappen 4
maïzenapappen 5
sappen 2
wandbeenkwabben 4
wandbeenskwabben 4
zeileigenschappen 5

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord overlappen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. L 3
  6. A 1
  7. P 3
  8. P 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

overlappen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. O 1
  2. V 4
  3. E 1
  4. R 2
  5. L 3
  6. A 1
  7. P 4
  8. P 4
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

overlappen in het kort

overlappen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 7 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van overlappen staan er 106 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort overlappen bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

overlappen: iets gedeeltelijk van twee zijden met een laag bedekken
Deel overlappen — standaardnederlands.nl