kleed
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een stuk weefsel
- - of tafelbedekking, karpet, tapijt
- er lag een prachtig geborduurd kleed op tafel
- meestal , gewaad, kleding
- zijn kleren werden gewassen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [1.1] kleden | meervoud |
| [1.1] kleedjes | verkleinwoord, meervoud |
| [1.2] klederen | meervoud |
| [1.2] kleertjes | verkleinwoord, meervoud |
| [1.2] kleren | meervoud |
| kleedje | verkleinwoord, enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
- gebiedende wijs van kleden
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kleden
Vervoeging van kleed
kleedhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘stuk weefsel’ voor het eerst aangetroffen in 1220
Woordfamilie van kleed
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| klederen | meervoud | kleed |
| kleedje | verkleinwoord | kleed |
| kleedjes | meervoud | kleed |
| kleertjes | meervoud | kleed |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kleed zijn vastgelegd.