Naar de inhoud

kaartspelen

kaarten

kaartspelen is meer dan één woord

kaartspelen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. kaarten

Vervoeging van kaartspelen

kaartspelenhele werkwoord — speelde kaartverleden tijd enkelvoud — speelden kaartverleden tijd meervoud — kaartgespeeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik speel kaart speelde kaart
jij speelt kaart speelde kaart
hij, zij, het speelt kaart speelde kaart
wij spelen kaart speelden kaart
jullie spelen kaart speelden kaart
zij spelen kaart speelden kaart
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had kaartgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had kaartgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had kaartgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden kaartgespeeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden kaartgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden kaartgespeeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt kaartgespeeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb kaartgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben kaartgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben kaartgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben kaartgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben kaartgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt kaartgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft kaartgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft kaartgespeeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kaart te spelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
kaart te zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
kaart zal spelen bijzin, toekomende tijd
kaart zou spelen bijzin, voorwaardelijk
kaart zouden spelen bijzin, voorwaardelijk
kaart zoudt spelen bijzin, voorwaardelijk
kaart zullen spelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
kaart zullen spelen bijzin, toekomende tijd
kaart zult spelen bijzin, toekomende tijd
kaartgespeeld verleden tijd, deelwoord
kaartgespeeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
kaartgespeeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
kaartspeel bijzin, tegenwoordige tijd
kaartspeelde bijzin, verleden tijd
kaartspeelden bijzin, verleden tijd
kaartspeelt bijzin, tegenwoordige tijd
kaartspelend onvoltooid, deelwoord
speel kaart gebiedende wijs
speelde kaart verleden tijd
te hebben kaartgespeeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen kaartspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal kaartgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal kaartgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal kaartgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal kaartspelen bijzin, toekomende tijd
zou kaartgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou kaartgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou kaartgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou kaartspelen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) kaartspelen kaart zou(dt) spelen bijzin, voorwaardelijk
zouden kaartgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden kaartgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden kaartgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden kaartspelen bijzin, voorwaardelijk
zoudt kaartgespeeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt kaartspelen bijzin, voorwaardelijk
zullen kaartgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen kaartgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen kaartgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen kaartspelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen kaartspelen bijzin, toekomende tijd
zult kaartgespeeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult kaartspelen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult kaartspelen bijzin, toekomende tijd
zult/zal kaartspelen kaart zult/zal spelen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord kaartspel

Herkomst

samenstelling van kaart en spelen ww

Woordfamilie van kaartspelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kaartgespeeld voltooid deelwoord kaartspelen
kaartspeel subordinate-clause, tegenwoordige tijd kaartspelen
kaartspeelde subordinate-clause, verleden tijd kaartspelen
kaartspeelden subordinate-clause, verleden tijd kaartspelen
kaartspeelt subordinate-clause, tegenwoordige tijd kaartspelen
kaartspele with-subordinate-clause kaartspelen
kaartspelend onvoltooid deelwoord kaartspelen
kaartspelende woordvorm kaartspelen
speel kaart gebiedende wijs kaartspelen
speelde kaart verleden tijd kaartspelen
speelden kaart aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon kaartspelen
speelt kaart aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon kaartspelen
spele kaart woordvorm kaartspelen
spelen kaart aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon kaartspelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kaartspelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over kaartspelen

Wat betekent kaartspelen?
Kaartspelen is een werkwoord. Het woord betekent: kaarten.
Hoe vervoeg je kaartspelen?
Je vervoegt kaartspelen als volgt: het voltooid deelwoord is kaartgespeeld. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord kaartspelen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. K 3
  2. A 1
  3. A 1
  4. R 2
  5. T 2
  6. S 2
  7. P 3
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

kaartspelen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. K 3
  2. A 1
  3. A 1
  4. R 2
  5. T 2
  6. S 2
  7. P 4
  8. E 1
  9. L 3
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

kaartspelen in het kort

kaartspelen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van kaartspelen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort kaartspelen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

kaartspelen: kaarten
Deel kaartspelen — standaardnederlands.nl