kaarten
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- een kaartspel spelen
Vervoeging van kaarten
kaartenhele werkwoord — kaartteverleden tijd enkelvoud — kaarttenverleden tijd meervoud — gekaartvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kaart | kaartte |
| jij | kaart | kaartte |
| hij, zij, het | kaart | kaartte |
| wij | kaarten | kaartten |
| jullie | kaarten | kaartten |
| zij | kaarten | kaartten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gekaart | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekaart | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekaart | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekaart | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekaart worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekaart zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekaart worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekaart zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekaart | verleden tijd, deelwoord |
| gekaart te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekaart zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekaart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekaart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekaart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekaart | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekaart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekaart | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekaart | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekaart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekaart | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekaart | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekaart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekaart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekaart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekaart | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekaart | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kaart | gebiedende wijs |
| kaarte | aanvoegende wijs |
| kaartend | onvoltooid, deelwoord |
| kaartte | verleden tijd |
| te hebben gekaart | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kaarten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kaarten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekaart hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekaart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekaart hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekaart hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekaart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekaart hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekaart hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekaart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekaart hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekaart hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekaart hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekaart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekaart hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kaarten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekaart hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kaarten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kaart
Herkomst
In de betekenis van ‘kaartspelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1394
Woordfamilie van kaarten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekaart | voltooid deelwoord | kaarten |
| kaarte | aanvoegende wijs | kaarten |
| kaartend | onvoltooid deelwoord | kaarten |
| kaartende | woordvorm | kaarten |
| kaartte | verleden tijd | kaarten |
| kaartten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kaarten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kaarten zijn vastgelegd.