hof
zelfstandig naamwoord /ɦɔf/Betekenis
- de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie
- een instelling waar recht gesproken wordt
- een stuk bebouwd land of tuin
- tuin
Hoe spreek je hof uit?
/hɔf/
Hof bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| f | fiets |
zelfstandig naamwoord
- : de uitgebreide huishouding van een vorstelijke, bijvoorbeeld koninklijke familie neuter
- : een instelling waar recht gesproken wordt neuter
- : een stuk bebouwd land of tuin, gaard masculine
- : houten omheining masculine
- boerderij, boerenwoning, hoeve neuter
- buitenverblijf, landgoed neuter
- binnenplaats, werf neuter
- halo masculine
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hofje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hofjes | verkleinwoord, meervoud |
| hoven | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘omheind stuk grond’ voor het eerst aangetroffen in 976
Woordfamilie van hof
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hofjes | verkleinwoord meervoud | hof |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hof zijn vastgelegd.