bof
zelfstandig naamwoord, werkwoord /bɔf/Betekenis
- geluk, mazzel
- infectieziekte waarbij men een dik hoofd krijgt
- pfff (met schouderophalen)
Hoe spreek je bof uit?
/bɔf/
Bof bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| f | fiets |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| boffen | meervoud |
| bofje | verkleinwoord, enkelvoud |
| bofjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boffen
- gebiedende wijs van boffen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van boffen
Vervoeging van bof
bofhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘kinderziekte’ voor het eerst aangetroffen in 1327
Woordfamilie van bof
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| bofje | verkleinwoord | bof |
| bofjes | verkleinwoord meervoud | bof |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bof zijn vastgelegd.