pof
zelfstandig naamwoord, werkwoord pɔfBetekenis
- bolstaande plooi in kledingstuk, inz. in mouw of korte broek
- brok veengrond
- doffe, zware slag; stoot
- krediet: op de pof kopen
Hoe spreek je pof uit?
/pɔf/
Pof bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɔ | bot |
| f | fiets |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| poffen | enkelvoud |
| pofje | verkleinwoord |
| pofjes | verkleinwoord, enkelvoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| poffen | enkelvoud |
| pofje | verkleinwoord |
| pofjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord
- poeder gebruikt bij het klimmen om meer grip te hebben
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poffen
- gebiedende wijs van poffen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van poffen
Vervoeging van pof
pofhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘plooi’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1776.
Woordfamilie van pof
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pofje | verkleinwoord | pof |
| pofjes | verkleinwoord | pof |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pof zijn vastgelegd.